Sri Lanka

Algemeen
De republiek Sri Lanka (officieel: Democratic Socialist Republic of Sri Lanka; vóór 1972: Ceylon) is een eiland in de Indische Oceaan en ligt ten zuidoosten van de zuidpunt van India. Sri Lanka wordt wel de ‘parel van de Indische Oceaan’ genoemd.
Sri Lanka wordt van India gescheiden door de 48 kilometer brede Palkstraat. Een soort directe verbinding met India wordt gevormd door de zogenaamde Adam’s Bridge, een verzameling zandbanken, koraalriffen en eilandjes, dat zich uitstrekt van het eilandje Mannar tot aan het Indiase vasteland.
De totale oppervlakte van het land bedraagt 65.610 vierkante kilometer en daarmee is Sri Lanka ongeveer 1,5 keer zo groot als Nederland. Van noord naar zuid meet Sri Lanka 445 kilometer en van oost naar west maximaal 225 kilometer. De totale kustlijn van Sri Lanka bedraagt ca. 1340 kilometer en het eiland ligt 650 kilometer ten noorden van de evenaar.
Tot Sri Lanka behoren behalve het hoofdeiland een twintigtal kleinere, die merendeels vlak onder de kust van het noordelijke schiereiland Jaffna zijn gesitueerd, onder andere Kayts, Punkudutiva en Delft.

Landschap
Geologisch maakt Sri Lanka deel uit van het Indiase Decca-plateau, dat in bepaalde ijstijden zelfs met Voor-Indië verbonden was. Zeer lang geleden was het Decca-plateau een machtig gebergte, dat echter in een daaropvolgende periode van 60 miljoen jaar door erosie en verwering afbrokkelde en afsleet door de vele moessonregens. Langzaam maar zeker kreeg Sri Lanka haar huidige vormen, een landschap met afgeronde vormen en weinig hoogteverschil.
Meer dan driekwart van Sri Lanka ziet er nu zo uit, maar varieert wel van een vruchtbaar laagland in het zuidwesten tot droge vlakten in het noorden, oosten en zuiden, tot zelfs woestijnachtige gebieden aan toe. In 1881 was nog 84% van Sri Lanka met bossen bedekt, in 2002 gedaald tot 19%.
Het centrale gedeelte van het eiland is bergachtig en wordt door diepe valleien doorsneden. Hier liggen een aantal bergtoppen, waarvan de Pidurutalagala of Mount Pedro met 2524 meter de hoogste is. Andere hoge toppen zijn de Kirigalpotta (2394 m), de Totapalakanda (2356 m) en de heilge Sri Pada (Samanalakanda) of Adam’s Peak (2243 m).
De kuststrook is over het algemeen regelmatig en vlak, maar op sommige plaatsen liggen voor de kust eilandjes, lagunen, koraalriffen en baaien. De kustvlakten zijn in het zuiden smaller (50-60 km) dan in het noorden.
Het uiterste noorden van Sri Lanka wordt gevormd door het schiereiland Jaffna, dat omringd wordt door een aantal eilanden. Het schiereiland wordt door een smalle zandbank, de Elephant Pass, verbonden met de rest van het eiland.
In het zuidoosten en het noordwesten liggen savannes en kleine woestijngebieden. Dit gedeelte van het land wordt gekenmerkt door duizenden kunstmatige meertjes of ‘tanks’ (Singalees, wewa ; Tamil, kulam) die het droge land vaak al sinds de oudheid bevloeien. Een uitgestrekt duinlandschap bij Point Pedro wordt wel aangeduid als de ‘Kleine Sahara’.
De vrijwel boomloze savannes vloeien geleidelijk over in moessonwouden.
De ca. 100 rivieren, die alle in het centrale bergland ontspringen en via vele stroomversnellingen naar de kust stromen, zijn veelal breed en kort. De langste rivier is de 321 km lange Mahaweli Ganga die ten zuiden van Trincomalee een delta vol moerassen en mangrovebossen vormt. Daarna krimpt de brede rivier in tot een klein beekje. Veel korter is de Kelani, die iets ten noorden van de hoofdstad Colombo in zee uitkomt. Deze rivier is als enige tientallen kilometers landinwaarts bevaarbaar. De kortste rivier is de Gal Oya met maar 108 km. ‘Ganga’ noemt men een grote rivier, een ‘oya’ is een kleine rivier.
De beroemdste watervallen zijn de Dunhinda (61 m) en de Diyaluma. De hoogste waterval van Sri Lanka is de Bambarakanda (264 m).

Klimaat
Door zijn ligging dicht bij de evenaar, kent het eiland een tropisch moessonklimaat. Het klimaat wordt beïnvloed door de bergketens midden op het eiland en door de elk half jaar wisselende moessonwind. De zuidwestmoesson of ‘yala’ waait van half mei tot eind september vanuit het zuidwesten naar het lagedrukgebied ten noordoosten van het eiland. Van oktober tot eind april waait de noordoostmoesson of ‘maha’, precies uit de tegenovergestelde richting, namelijk vanuit het noordoosten. Dit fenomeen wordt veroorzaakt door het verschuiven van de plaats met de laagste luchtdruk rond de evenaar.

In de lage gebieden is de temperatuur het hoogst. Aan de kust is het wat koeler door de zeewind en in de bergen is de temperatuur het aangenaamst. Over het algemeen heeft Sri Lanka echter het hele jaar door gelijkmatige temperaturen die variëren van 26-30°C. Zo is de gemiddelde temperatuur van de hoofdstad Colombo aan de westkust gemiddeld 27°C, met een temperatuurverschil van maar twee graden tussen de koudste en warmste maand.

Aan de (zuid)westzijde brengen de zuidwest- en de noordoostmoesson veel regen (1480-2240 mm; in Colombo valt per jaar gemiddeld 2365 mm regen); de droogste maand is hier februari, de natste maand is mei.
Het laagland in het noorden en oosten, alsmede het oostelijk deel van het centrale hoogland vormen een droge zone: hier wordt de regen hoofdzakelijk door de noordoostmoesson gebracht en gedurende de zuidwestmoesson komt een - vaak ernstige – droogteperiode van mei tot juli voor. In totaal valt er nog geen 1000 mm per jaar, waar door de enorme verdamping niet veel van overblijft. Moessonregens vallen meestal in de vorm van hevige, maar korte buien.
Januari is de koudste maand, april en mei zijn de warmste. Hoog in de bergen kan het in december en januari wel eens licht vriezen.

Planten en dieren
De Sri Lankaanse vegetatie komt sterk overeen met de rest van tropisch Azië., aangevuld met veel endemische soorten. Door de klimaatverschillen varieert ook de begroeiing in verschillende delen van Sri Lanka. Het grootste deel van Sri Lanka is echter in cultuur gebracht met palmgaarden, rijstvelden en theeplantages.
In de bergen groeien veel ook ons bekende soorten: madeliefjes, rozen, chrysanten, anjelieren, rododendrons, lotusbloemen en gladiolen. Prachtig zijn de hibiscussen en de bougainvillea’s.
Bijzondere van kleur zijn frangipani, murates, jacaranda, paltophorus, koraalboom en kanonskogelboom.
Zeer fraai is de amherstia, genoemd naar Lady Amherst, de vrouw van een Engelse gouverneur van Birma. Een bijzondere struik is de ‘nillu’, die elke vijf tot tien jaar bloeit. Zeldzaam is de blauwgele Cynoglossum furcatum, die bloeit tussen februari en september.
Een veel voorkomende boom is de Cassia fistula met zijn opvallende kleine, gele bloemetjes. Indrukwekkend is de grillige baobab of apenbroodboom, die 30 meter hoog kan worden. Andere soorten zijn de regenboom of ‘guango’, de banyanboom, mahonieboom, kapokboom, bananenboom en rubberboom. Sri lanka staat ook bekend om zijn vele palmsoorten: betelpalm, koolpalm, koningspalm, palmyrapalm, taliputpalm, kokospalm en kitulpalm. De taliputpalm is de hoogste inheemse boom; hij bloeit na ongeveer 35 jaar, heeft dan twee jaar tijd nodig om de grote en harde vruchten te vormen en sterft niet lang daarna af.
De kokospalm heeft zeer veel toepassingsmogelijkheden: de stam en de bladeren worden gebruikt als bouwmateriaal voor huizen, de kokosmelk kan gedronken worden en de harde dop van de kokosnoot wordt gebruikt als brandstof. De vezels van de bolster worden verwerkt tot touw, matten, borstels en kleding. De bladstengels worden gebruikt voor het vervaardigen van schuttingen, manden en bezems.
Doornbossen zijn typerend voor de gebieden met minder dan 635 mm regen. Een groot deel van de droge zone heeft wat graslandgebieden, talawa’s geheten. Het ook hier sterk bedreigde tropisch regenwoud is typerend voor de natte zone. Palmen, pandanen en mangroven komen voor langs de kust; op veel plaatsen in het noordwesten groeit de nuceanda, een prachtige groene struik met witte bloemen.

De dierenwereld van Sri Lanka lijkt erg op die van India, hoewel er ook opvallende verschillen zijn. Zo ontbreken typisch Zuidoost-Aziatische zoogdieren als tijger, gestreepte hyena, wolf, neushoorn en (wilde) runderen. Panter of luipaard en lippenbeer zijn de grootste roofdieren, drie kleinere kattensoorten zijn de viskat, de junglekat en de luipaardkat.
De Ceylon-olifant is een aparte ondersoort (geschat op nog 2500-3000 stuks) van de Indische olifant, die opvalt omdat vaak de slagtanden bij de bullen ontbreken. Verder komen nog voor de jakhals, de waterbuffel, het paardhert of sambar, het damhert en het axishert. Sri Lanka telt ook nog twee kleinere hertensoorten, de kantjil en de muntjak.
Er leven vier verschillende soorten mangoesten op Sri Lanka, waaronder de zeldzame streepnekmangoest. Op het noordelijke eiland Delft leven wilde paarden, nakomelingen van een kudde die ooit door de Portugezen aan land waren gebracht.
De twee meest voorkomende apensoorten zijn de gewone hoelman en de Ceylon-kroonaap, zeldzaam is de witbaardlangoer.
Bijzondere zoogdieren zijn twee ondersoorten van de reuzeneekhoorn, de vliegende hond en de vliegende eekhoorn. Een dier dat regelmatig zijn lange neus in een termietennest steekt, is de geschubde miereneter.

Sri Lanka telt ca. 400 soorten vogels (150 trekvogels), waaronder 21 endemische. In de steden en tuinen kan men kraaien, baardvogels, buulbuuls, parkieten, mynahs, dayallijsters en spotlijstertimalia’s tegenkomen.
Bewoners van de ‘wetlands’ langs de kust en in het binnenland zijn aalscholvers, slangenhalsvogels, plevieren, ijsvogels, lepelaars, waterfazanten, de Indische kiviet en de Indische nimmerzat.
In de bossen leven onder andere blauwe kitta’s, bonte grondlijsters, Malabar-trogons, Ceylon-iora’s, drongo’s, baardvogels, neushoornvogels en minivets.
Sri Lanka kent ook een grote verscheidenheid aan roofvogels, met name havikachtigen en arenden: witbuikzeearend, witstaartvisarend, zwarte arend, ruigpootkuifarend, brahmaanse wouw en slangenarend.

Op Sri Lanka komen een aantal grote reptielen voor, waarvan de zeekrokodil met acht meter de grootste is. Verder nog de rotspython en de Bengaalse varaan. In het dichte oerwoud van Udawattekele leeft de bizarre lierkopagame, een grote kleurige hagedis die alleen op Sri Lanka voorkomt. In het bergachtige deel van Sri Lanka leeft de zeldzame neushoornhagedis, waarvan de naaste verwanten in Afrika voorkomen.
Van de zeven bekende soorten reuzenschildpadden maken vijf soorten nesten op de stranden van de zuidwestkust.

Het kristalheldere water rond riffen is rijk aan haaien, roggen, tonijnen en zeebaarzen, maar ook kleinere soorten als knorvissen, klipvissen, Indische diklippen en vleten.

Slangen zijn er in overvloed te vinden op Sri Lanka. Van de ca. tachtig soorten zijn er echter maar vier giftig, waaronder de cobra, de Ceylon-krait en de Russell-adder. Sri Lanka is een amfibisch paradijs, met bijvoorbeeld meer dan 250 soorten kikkers, ca. 10% van alle kikkersoorten in de wereld.

De natuurbescherming is tamelijk goed georganiseerd; de regering heeft verschillende, over het gehele land verspreide natuurgebieden tot beschermd gebied verklaard door ze de status van nationaal perk of reservaat te geven. Het grootste en meest bekende nationale park is Ruhuna, beter bekend als Yala. Dit park ligt in de droge zone en hier zijn de meeste grote zoogdieren van Sri Lanka te zien, waaronder de olifant. Andere belangrijke nationale parken zijn Gal Oya en Wilpattu. Het Nationale Park Mihintale is in feite het oudste wildreservaat ter wereld, want al in de derde eeuw v.Chr. werd door koning Devanampiya Tissa, na zijn overgang tot het boeddhisme, bevolen dat er in dit gebied geen dieren gedood mochten worden.
Het in het zuiden gelegen Sinharaja Rainforest Reserve vormt het leefgebied van de grootste concentratie van dieren die alleen in Sri Lanka voorkomen, de zogeheten endemische soorten.


 





© Copyright 2009 Youth United for Sri Lanka | Disclaimer | Sitemap